Jan Dirk de Jong deed zeven jaar lang onderzoek naar de ‘groepscultuur van Marokkaanse jongens’ in 020 (Overtoomse veld). In 1998 was hij student sociologie en braken er rellen uit in het Overtoomse Veld, de wilde verhalen in de krant waren zijn motivatie om etnografisch onderzoek te doen met een exploratief karakter. Kortom, hij wilde de leefwereld van ‘Marokkaanse jongens’ van binnenuit verkennen. Een dergelijke improviserende en vrij-associatieve onderzoekswijze is in het algemeen vermakelijk, het wordt een mooi verhaal met treffende anekdotes. Daar ligt de kracht van etnografisch onderzoek. De generalisaties en wetenschappelijke implicaties zijn dubieus, hoewel in principe een gedetailleerde omschrijving van dagelijks gedrag al complex en waardevol is. Los van de eventuele theoretische waarde was het een mooie uitdaging voor Jan Dirk de Jong. En zijn promotor, Willem de Haan, om zo’n bevlogen en intelligente man in juiste banen te leiden. Want wat te denken toen De Jong meedeed aan hinderlijk en anti-sociaal gedrag waar hij zich achteraf voor schaamt. Willem de Haan moet hem hebben bijgestaan en hebben getroost, “het is voor een goed doel”. De Jong wilde vertrouwen winnen van de Marokkaanse jongens en hij had een missie: hij had een afkeer van de heersende ‘culturele verklaringen’. Hij wilde afstand nemen van de sociale binding-benadering en vindt de ‘culturele factor te makkelijk’. De Jong is moe van de gesuggereerde culturele reproductieprocessen en wil niets horen over vergelijkingen met het Rifgebergte. Terecht constateert hij dat de verklaring dat bepaalde opvattingen van de Marokkaanse cultuur zouden leiden tot bepaalde opvattingen en keuzes in groepsverband een tautologische verklaring is. Dit biedt hoop, welke sleutel biedt De Jong?

De Jong wil antwoord geven op de vraag: “Waarom zijn Marokkaanse jongens in delinquente groepsverbanden uit een Amsterdamse achterstandswijk relatief vaker betrokken bij meer en harde vormen van delinquent gedrag in de publieke ruimte?”. De blackbox van De Jong heet “algemene psychologische groepsdynamische processen”, deze zouden de jeugdgroepen structureren. Hij introduceert ‘interactieve behoeften; behoeften die we alleen kunnen bevredigen als we het samen doen, de behoefte aan erkenning en aan status. Volgens De Jongis er weinig sociale controle en in de perceptie van de jongeren relatief veel dreiging, dus is het nodig om deel uit te maken van een groep en steun te krijgen van elkaar. De groepen zouden dynamisch en diffuus zijn, er zijn “chillers en spacers”. Vervolgens ontstaan er straatwaarden, als je daaraan voldoet, word je gewaardeerd, zo merkte Jan Dirk zelf ook toen hij met de jongens naar Marokko ging en echt voelde dat hij “erbij hoorde”. De straatwaarden die De Jong na zeven jaar intensief en complex onderzoek heeft ontdekt zijn verrassend:

  1. Altijd voor jezelf opkomen
  2. Voor elkaar opkomen
  3. Uitdagingen aangaan
  4. Scherp zijn om je te verdedigen en om je kansen te pakken
  5. Draaien: laten zien dat je succesvol bent, met vrouwen, bezit
  6. Fatoe: relaxed in de omgang, gelachen worden, leuk verhaal vertellen

Nog steeds de vraag, waarom gebeurt dit dan meer en harder bij Marokkaanse straatjongens? Hier komt de zwarte piet, Jan Dirk reproduceert de visie van de jongeren: de Nederlandse samenleving is hiervoor verantwoordelijk!

Het zijn algemene (psychologische) processen die voor dit gedrag zorgen, er is “niets Marokkaans aan”, het zou gaan om “onvoorzien en onbedoelde afstemming. De jongens voelen zich door de Nederlandse samenleving aangewezen op elkaar, ze vormen dus snel groepen waarin niet duidelijk is wat precies de regels zijn, dus gaan ze zich stoer gedragen. Daarnaast willen ze graag de “moeilijkste zijn” omdat dit tenminste een “(negatieve) sociale identiteit”zou genereren. Het is het enige waar ze in Nederland trots op kunnen zijn, dat ze de “stoere jongens” zijn. Ze kunnen nie t ont-marokkanen, dus gedragen ze zich maar naar hun ‘gevangen identiteit’. Ze verklaren de waarden van de samenleving (!) als niet geldig en hanteren hun eigen straatcultuur. Kortom, de Marokkanse cultuur is niet nodig als verklarende variabele, omdat algemene (psychologische) processen binnen bijzondere omstandigheden voldoende verklaring bieden. De Jong ziet zijn eigen tautologische valkuil over het hoofd, waarin zijn model zowel uitkomst als startpunt is. Maar ja, etnografisch onderzoek hoef je natuurlijk niet te falsificeren. De Jong vergeet de historische inbedding, nog voordat er sprake was van ‘stigmatisering’ of een ‘eenzijdig’ debat was er sprake van een vergelijkbaar beeld van overlast en criminaliteit. Hij vergeet ook maar even dat er onder Turkse jongeren dan kennelijk andere ‘bijzondere omstandigheden’ waren. Maar wat hij bovenal vergeet, is onderzoek te doen naar zijn constatering dat Marokkaanse jongeren kennelijk oververtegenwoordigd zijn op straat. Wat gebeurt er thuis dat de ouders niet ingrijpen? Want hier lijkt dan toch het probleem te ontstaan, stel dat inderdaad ‘straatprocessen’ te verklaren zijn volgens algemene (psychologische) verklaringsmodellen, hoe verklaren we dan dat de Marokkaanse jongens zoveel op straat aanwezig kunnen zijn? Tijdens een toelichting van zijn onderzoek laat De Jong vallen dat Marokkaanse ouders hier op een andere manier mee omgaan en allicht hun kinderen meer vrijheid geven. Klinkt als een ‘culturele factor’, maar volgens De Jong niet relevant genoeg.

Onderzoekers die zich tegen de –dominante- verklaringen verzetten, al helemaal als het om vaak lege ‘culturele verklaringen’ gaat, verdienen extra kudo’s, maar De Jong had na zeven jaar chillen en zich misdragen met zijn Marokkaanse vrienden wel met meer mogen komen dan zijn conclusie dat –kort door de bocht- het de schuld is van de samenleving en wat er op straat gebeurt het resultaat is van algemene menselijke verlangens naar behoefte en erkenning.

Zijn anekdotes zijn echter goud waard, en dat is ook de waarde van zijn zeven jaar, enkele quotes, klik hier voor het proefschrift, maar geniet ook hiervan:

“Terwijl voorbijgangers geïrriteerd en geïntimideerd naar de jongens kijken, hebben zij zelf vooral oog voor de ‘tantoe’(vele) vrouwen op het strand. De ‘players’en ‘pimps’(versierders) uit de groep proberen meisjes te ‘lullen’ (charmeren) om aan hun telefoonnummer te komen. De machohouding van de jongens en het feit dat ze die ‘moves’(versierpogingen) vanuit een groep doen, werken niet. De meeste meisjes gaan niet op hun avances in en voelen zich lastig gevallen, doordat de jongens een arm om hen heen slaan terwijl andere jongens op de achtergrond staan te joelen of beledigende opmerkingen te maken. Als de ‘players’ falen worden ze door de rest van de groep uitgelachen en voor ‘zwervers’uitgemaakt. De falende versierders kunnen de waardering van de groep terugwinnen door de meisjes voor ‘hoer’uit te schelden en te schreeuwen dat ze die ‘kaolo tangas’(schijtwijven) niet hoeven omdat ze lelijk zijn of arrogant. Door dit soort grove beledigingen te scanderen, laten ze zien dat ze ‘schijt’(maling) hebben aan buitenstaanders en brengen zij de hele groep weer aan het lachen.
Sommige ‘smatjes’(meisjes) blijven wel een tijdje bij de groep staan. Dat zijn Hollandse meisjes uit Amsterdam die een paar van de jongens kennen van het uitgaan of van school. De jongens zelf denken dat deze meiden het spannend vinden om met ‘Mocros’ (Marokkanen) uit West om te gaan. Dit soort ‘mities’(meisjes) ‘geilt’ volgens hen op ‘gangsters’(stoere en/of criminele jongens). Ze kleden zich sexy en dragen veel make-up en doen net als die ‘ho’s’en ‘bitches’ (sletten) in de nieuwste hiphop-videos. De meeste jongens vinden hen ook hoeren, want feitelijk zijn ze uitsluitend geïnteresseerd in de jongen die het beste draait (succesvol is) of de meeste ‘doekoe’ heeft. Daarom hebben de jongens het – in de woorden van populaire ‘gangsta-rappers’als Master P en Tupac Shakur- vaak over ‘M.O.B.’(‘Money over Bitches’: geld is belangrijkder dan vrouwen). Als een van de Marokkaanse jongens laat blijken dat hij met zo’n meisje een serieuze relatie zou willen beginnen, wordt hij gepest door de andere jongens. Ook thuis zou hij problemen krijgen omdat een ‘niet-Marokkaans’ meisje meestal (nog) niet wordt geaccepteerd.”

De Jong had een idee en heeft gezocht naar gedragingen en verklaringen die zijn idee bevestigden. Zo wijst o.a. Bervoets erop dat De Jong de gedeelde Marokkaanse en islamitische identiteit “wel een goede verklaring vindt voor het gevoel van saamhorigheid van deze Amsterdamse schoffies. Met andere woorden, het ‘Marokkaan-zijn’ speelt alleen een rol van betekenis wanneer het leidt tot positief gedrag”. Ali en Chalid, twee van de hoofrolspelers in zijn proefschrift, geven een treffende analyse van zijn proefschrift:

“Ali: ‘Kijk, jij zegt dan wel dat je, je weet toch? Onze mening wilt horen en zo. Dat je gaat schrijven wat wij zeggen. Al die ‘blah’. Maar dat doe je niet, vriend. Mij hou je niet voor de gek hoor. Jij gaat gewoon lekker schrijven wat je wil. Je weet toch wat ze willen lezen… of niet soms?
Chalid: ‘Het gaat je nooit lukken. Hoe kan iemand als jij ons nou begrijpen? Je hebt onze bloed niet”.

“Binnenkort meer over De Jongs gedachten en over het diversiteitsdenken van Y. Azghari”. Maar vooral over oplichters en dus makelaars.